Banner Zelem 900 jaar detail
Nieuws heet van de naald!
Button Bestuur
Button Documentatiecentrum
Button opzoeknaar
Button Publicaties
Button Links
Button Contact
Button Home
Wapenschild Zelem
Button geschiedenis
Button erfgoed
Button natuur
Button thema
Button genealogie
Button fotoalbum
Logo Heemkundige Kring Zelem

Inleiding - Zelem anno 1846

In 2013 vierde de Geschied- en Heemkundige Kring "Sint-Jansdal" Zelem zijn 25-jarig bestaan, een zilveren jubileum! Zelem, dat voor het eerst in een geschreven document van 1114 voorkomt onder de naam Salechem, wat zoveel als "zalig" (= gunstig gelegen) "heem" (= woonplaats) betekent, bestaat in 2014 officieel dus 900 jaar (*). Twee gebeurtenissen die wij als heemkundige kring neit zomaar kunnen laten voorbij gaan. Daarom vatte ik het idee op om een tijdsbeeld van het "oude Zelem" te schetsen, niet in 1114, maar dat van ons dorp anno 1846, het jaar van de eerste volkstelling in België (en alzo ook van het eerste bevolkingsregister) en tevens de periode waarin de Atlas der Buurtwegen, die uit 1845 dateert, tot stand kwam. Beide documenten samen geven een goed beeld weer van ons dorp in die tijd.

West-Limburg was in de eerste helft van de 19e eeuw een nog vrijwel uitsluitend agrarisch gebied van weinig economische betekenis. De inwoners waren voor hun inkomen grotendeels afhankelijk van de zandige landbouwgrond en de natte beemden in de vallei van de Demer en haar bijrivieren, die haast iedere winter onder water stonden waardoor de dorpen van elkaar geïsoleerd werden. Degelijke verbindingswegen waren er immers niet en de spoorlijn Diest-Hasselt werd pas in 1865 geopend. Het dorpsleven werd gedomineerd door de plaatselijke kasteelheer, meestal 'un nouveau riche' rijk geworden door het verhandelen van tijdens de Franse revolutie geconfisqueerd vastgoed en door investeringen in de nieuwe industrie in Wallonië, en door enkele grotere boeren, die samen de meeste gronden in hun bezit hadden en waarvan de andere inwoners voor hun inkomen afhankelijk waren (*).

Ook Zelem, toen nog Zeelhem geheten, beantwoordde in die tijd volledig aan deze beschrijving. Hubert François Fischbach Malacord was burgemeester en bewoonde het kasteel op de Sint-Jansberg; daarnaast bezat hij nog meerdere huizen en boerderijen in Hees, Bakel en de rest van het dorp, waaronder ook enkele grote hoeves die hij verpachtte, zoals de hoeve Oude Pastorij op de Steenberg en de hoeve Rasop op de hoek van de Dorpsstraat met het Kerkepad. Ook de Hezermolen hoorde hem toe, evenals tal van landerijen, hooilanden, bos- en heidegrond (*). Verder waren er nog enkele grote boeren en pachters naast dagloners, handwerkers en boerenknechten die het gros van de bevolking uitmaakten; zij vormden samen een agrarische dorpsgemeenschap van 616 zielen.

Naast de wereldlijke macht vertegenwoordigd door de kasteelheer, was er ook de geestelijke macht in de persoon van de dorpspastoor (in Zelem in 1846 was dit E.H. Ludovicus Ariën), wiens invloed op het reilen en zeilen binnen een kleine landelijke gemeenschap in de 19e eeuw niet mag worden onderschat. Het dagelijkse leven van de kleine man was toen immers doordrenkt met geloof en bijgeloof en het woord van de pastoor was heilig. Dood (vooral een hoge kindersterfte), ziekte en tegenspoed (door misoogsten, zoals in 1846 de roggeziekte) waren nooit veraf en hij was de vertegenwoordiger van ons Heer op aarde. Hij smeekte Gods zegen af en kon er voor zorgen dat je in de hemel zou komen of eeuwig zou branden in de hel. De mensen leefden op het ritme van de seizoenen en van de kalender van het kerkelijk jaar. De zondag was toegewijd aan God en begon met de 7 uren mis en om 3 uur in de namiddag was er nog het lof; de rozenkrans lag iedere dag binnen handbereik en ook door de week legde iedereen driemaal per dag even het werk neer om het Angelus te bidden (om 6 u 's morgens, 12 u's middags en 6 u 's avonds), zelfs de boeren op het veld.

Op de kasteelheer en de pastoor na leefden de mensen in eenvoudige lemen huizen, meestal van het Kempische langgeveltype, waarin mens en dier onder hetzelfde dak woonden. De dagloners die voor een dagloon bij een boer gingen werken en er daarnaast meestal ook nog een bescheiden eigen bedrijfje op nahielden, woonden in kleine hoevetjes; dan had je de iets grotere zelfstandige boeren die over een eigen paard beschikten om het land te bewerken en die een autarkisch bestaan leidden, d.w.z. volledig in hun eigen behoeften trachtten te voorzien door wat het land en het vee hun opleverde. En ten slotte waren er nog enkele hereboeren of pachters die in de grotere boerderijen woonden, vaak in baksteen opgetrokken half gesloten hoeven in U-vorm zoals de Hoeve Oude Pastorij op de Steenberg en de Hoeve Exterhoek aan de voet van de Kolenberg, en over knechten en meiden beschikten om het dagelijkse werk in de stal en het labeur op het veld te verrichten.

Enige industriële activiteit bestond toen in Zelem en in de andere West-Limburgse dorpen nog niet. De mensen leefden van het land en het vee. Op het veld werden er voornamelijk aardappelen, boekweit en rogge geteeld; de koeien graasden in de beemden en weilanden van het stroomgebied van Demer, Zwarte Beek en Heesbeek of gewoon langs de weg onder de hoede van een koehoed(st)er, die meestal nog een kind was. Men hield er verder een geit, enkele kippen en konijnen op na en slachtte eens per jaar een varken. En op het toen nog uitgestrekte heidegebied van de Heesder Heide en de Zeelhemsche Heide hoedden herders een kudde schapen. Door de aanwezigheid van dit heidegebied was in Zelem in die tijd ook het houden van bijen erg in trekt; de imkers waren verenigd in de Sint-Ambrosiusgilde, één van de weinige verenigingen in het dorp, die ook voor enig vertier zorgde buiten de jaarlijkse kermis. Het was een gans andere tijd dan die wij nu gewoon zijn; we kunnen het ons amper nog voorstellen. Geluk maar ook ongeluk waren toen nog heel gewoon en lagen dicht bij mekaar.

Gelegen in de Zuiderkempen, bevindt Zelem zich in het overgangsgebied van het heuvelachtige Hageland naar de zandige Kempen. De plaatsen Hees, Bakel, de Zeelhemsche Heide, de Groten Dorst en de Kampbergen bestonden toen nog grotendeels uit heide, met op de Zeelhemsche Heide ook meerdere vennen of wijers (*). Er waren verspreid ook wel enkele bossen, voornamelijk loofbossen, zoals het uitgestrekte bos op de Hertenrodeberg (toen nog Zelems grondgebied), en hier en daar waren er ook al enkele naaldboomaanplantingen ten behoeve van de Luikse steenkoolmijnen (*). Elders in de gemeente was er nog loofbos op de Sint-Jansberg, de Kolenberg en de Steenberg en op Gennep en er was nog het Schombos, dat toen groter was dan nu en tot over de Pinberg reikte. In het moerassig gebied gelegen achter het Loboskasteel, nu gemeenzaam de Leunen genoemd, maar wat eigenlijk het Ritsenbroek is, werd er turf gestoken, dat als brandstof diende om in de winter de huizen te verwarmen.

Alle straten in Zelem waren toen nog onverhard; het waren zandwegen (en dus vaak ook modderwegen) die dienst deden als verbindingspaden voor paard en kar tussen de verschillende wijken of die naar de kerk of de Hezermolen leidden, of gewoon voetpaden, ook wel buurtwegen genoemd (*).

Ik heb geprobeerd in dit korte bestek in grote lijnen de tijdsgeest en de leefomstandigheden te schetsen van de Zelemse bevolking anno 1846, zodat de personen en gezinnen opgetekend in het bevolkingsregister dat werd aangelegd bij de eerste volkstelling van het nog jonge Koninkrijk België, een beetje tot leven mogen komen. Wellicht stammen heel wat lezers van dit artikel nog rechtstreeks van hen af.

Hierna volgt dan deze eerste volkstelling, hier en daar nog aangevuld met eigen gegevens of voorzien van enige toelichting (*). Laat de Zelemnaren van toen in uw verbeelding tot leven komen en u hun levensverhaal vertellen...